HET MARKIESJE
de Markiesjes Encyclopedie
 

 
 Home
 Nieuws & Updates
 Geschiedenis
 Beschrijving
 Rasstandaard
 Registratie
 Rasvereniging
 Verzorging
 Gezondheid
 Aanschaf
 Pup in huis
 
 
 
 
 
 


 
 

Geschiedenis - Nêêrlands Erfgoed in ere hersteld

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

 

 

 

Schilderijen


In de zestiende eeuw kwam men in heel Europa spanielachtige honden tegen die gebruikt werden voor de jacht op vogels; deze honden noemden men “Spioen”, “Spanjool” of “Spiljoen”.

Op schilderijen en gravures uit de zeventiende eeuw staan deze spioenen veelvuldig afgebeeld; de grote spioenen als metgezel van de jager en de kleinere als gezelschapshond van adellijke personages, zoals de Oranje’s en de Nassau’s. In diverse musea zijn schilderijen met daarop zwarte spioentjes te aanschouwen, die veel weg hebben van het hedendaagse Markiesje.

A.W. Tischbein - "Zeven Apetronieën" (Paleis Het Loo)
bron: www.historisch-toerisme-bureau.nl

Alexander Roslin
"Comtesse d'Egmont Pignatelli in Spanish Costume" (1763)
bron: www.kare.com


Met de zwarte spioentjes werd echter niet bewust gefokt en in de loop van de tijd geraakte het in de vergetelheid. 
 

 

Toepoel

 


 


In de derde druk van “Onze Honden” door de bekende kynoloog P.M.C. Toepoel wordt het Markiesje slechts zijdelings genoemd, maar in de zesde druk (1963) zegt Toepoel over het Markiesje:
 


“Overal in Nederland kwam dit ras tot voor kort nog voor. Zwarte damesspioen. Langharig. Licht geraamte. Sterk verervingsvermogen. Draagt hoofd hoog en fier. Zijde-achtig haar. Rijk bevederde staart.”
 

Waar Toepoel zijn wijsheid vandaan haalde is onbekend; er waren geen verwijzingen naar de bronnen van de informatie.

Enkele jaren later verscheen de derde druk van “Toepoels Hondenencyclopedie” (1967) die over het Markiesje vermeldde:


“Het was in ons land in de achttiende eeuw een bekend slag damesspioen, zoals in Groot-Brittannië de King Charles en in België het Vlinderhondje, maar wat groter en wat meer spioen gebleven. Zwart met gewoonlijk enig wit aan de borst en voeten. Lang en enigszins glanzend haar, rijke bevedering, ook aan de staart. Hangoor, zachte uitdrukking in de donkere ogen. Licht geraamte, ook in de schedel. Hoewel nooit meer op ras gefokt, ontmoet men ze overal nog, natuurlijk nooit meer zuiver. Waarschijnlijk kan dit ras thans nog hersteld worden.”

 

 

 

Aanzet


Aan het einde van de jaren zeventig (van de twintigste eeuw) werd de aanzet tot de wederopbouw van het Markiesje gegeven toen mevrouw mr. M.J. van Woerden middels het schrijven van diverse artikelen in kranten en kynologische bladen om informatie over het Markiesje vroeg.


Mia van Woerden

In de tijd dat Mia van Woerden met haar moeder in Friesland drie hoog woonde (begin zestiger jaren van de twintigste eeuw), woonden benden een gezin dat regelmatig familie uit Oude Pekela op bezoek kreeg. De familie had een klein zwart, spanielachtig hondje, dat lief, gezellig en gehoorzaam was, met vriendelijke oogjes. De eigenaresse van het hondje vertelde Mia dat het een Markiesje was.

Mia was zich aan het oriënteren voor een voor haar en haar moeder geschikte hond; haar interesse was gewekt en ze trachtte er achter te komen hoe het Markiesje er uit zou moeten zien. Dit bleek het zoeken naar een speld in een hooiberg te zijn; “iedereen” had van het Markiesje gehoord, maar niemand had een afbeelding gezien.

Via haar contacten met Baronesse van Hardenbroek – van Ammerstol, de “moeder” van het Kooikerhondje, werd het vermoeden bevestigd dat de hondjes op de diverse afbeeldingen inderdaad Markiesjes moesten zijn.

Op een gegeven moment heeft Mia de toenmalige koningin Juliana geschreven in verband met de zwart-witte “Holland Spaniel” die zij op haar zoektocht in een boekje had gevonden én over het Markiesje waar zij naar op zoek was.
 

De “eerste vrouw van Nederland” verwees haar door naar het Iconografisch Bureau te Den Haag; een archief met onder meer foto’s van schilderijen. Na het opsturen van een afbeelding van een op een zwart-witte Epagneul Nain Continental lijkende hond uit Zweden kreeg Mia van een wetenschappelijk medewerker prompt een zwart-wit foto van een pastel uit 1769 waarop een beeldschoon meisje van 7 jaar afgebeeld stond met onder de arm een zwarte Dwergspaniel met vriendelijke ogen dat voldeed aan de twee omschrijvingen van Toepoel. Aan de hand van deze én diverse andere afbeeldingen uit het archief kon Mia zich een goed beeld van het Markiesje vormen.
 

Midden jaren zeventig (van de twintigste eeuw) schreef Mia van Woerden een aantal artikelen in diverse kynologische bladen. In 1976 verscheen in het tijdschrift “De Hondenwereld”een artikel met als titel “Een vergeten Nederlands ras, of de Zwarte Parel”. Hierin verzocht ze of de lezers één of meerdere van de drie afgebeelde foto’s konden identificeren, of men foto’s van zwarte Dwergspioentjes uit de achttiende en negentiende eeuw had waarvan men zeker wist dat het Markiesjes betrof, én of er lezers waren die mee wilden doen aan een eventueel op te richten, en door de Raad van beheer goed te keuren, rasclub.

 

Op dit artikel kwamen onverwacht veel reacties. Op de eerste bijeenkomst in 1977 te Maarsbergen kreeg mevrouw drs. J.H.C. Brooijmans – Schallenberg een breed scala aan “look-a-like-Markiesjes”te keuren waarbij een door mevrouw M. Posthumus Meyjes – Grandpré Molière uit Frankrijk geïmporteerd teefje, “Pom” genaamd (eig. G. van Essen), de aandacht trok.

Het initiatief van Mia van Woerden was het begin van een bredere beweging en de zoektocht naar bruikbare exemplaren begon om een fokprogramma mee op te zetten.

Na een korte periode als bestuurslid van de Vereniging voor Liefhebbers van het Markiesje bleef Mia van Woerden de fokadviezen nog enige tijd voor haar rekening nemen en schreef zij nog regelmatig artikelen voor kynologische tijdschriften. Langzaam aan kreeg zij echter steeds minder bemoeienis met het Markiesje en in 1987 emigreerde zij naar familie in Australië. Enige jaren later keerde zij terug naar Nederland alwaar “de moeder van het Markiesje” in 1992 op 75-jarige leeftijd overleed.

 
 
 

Eerste volgens plan gefokte nest


Op 2 april 1979 werd het eerste, volgens plan, gefokte nest geboren uit de combinatie “Skippy del Campo Albir” en “Barry”. Mevrouw Posthumus Meyjes – Molière was de fokker van de 2 zwarte reuen en 2 black & tan teefjes.
 

 

Liefhebbers verenigd


De kring van geïnteresseerden groeide gestaag met als resultaat de oprichting van de “Vereniging voor Liefhebbers van het Markiesje” op 24 juni 1979.

Enkele maanden na de oprichting van de vereniging verschijnt in het kynologische tijdschrift “De Hondenwereld” van november 1979 een oproep voor bruikbaar fokmateriaal:


“We kijken uit naar kleine Staby- of mollehondjes, in Friesland meestal Bijke’s genoemd. Hoogte liefst +/- 31 cm, maar voorlopig wordt tot 38 cm geaccepteerd. Ook zwart/witte Phalènes met veel zwart zijn bruikbaar.”
 

 
 

Op zoek naar een "startkapitaal"


In 1980 werden er twee “neefjes” van “Pom” uit Frankrijk geïmporteerd die op verzoek van de Vereniging voor Liefhebbers van het Markiesje werden gefokt. In eerste instantie was een broer-zus paring geprobeerd met een nestbroer en nestzus van “Pom”, maar toen alle pups dood gingen werd voor een paring met een bruin-witte Pappilon gekozen. Alle pups uit dit nest van “Pom’s” nestzus “Esther” waren zwart. De twee geïmporteerde reutjes kregen van vaders kant wit en staande oren mee en van moeders kant hangoren en een lage staart; zelf hadden ze hangstaarten en één van beide bleek staande oren te ontwikkelen.

Al met al bestond het “startkapitaal” uit 12 reuen en 24 teven die voor de fok geschikt waren bevonden.
 

 

Concept raspunten


Ondertussen werden er diverse nesten gefokt; al dan niet gelijkend op een Markiesje, ze werden wel onder die naam verkocht. Om meer houvast aan de fokkers te geven werd een fokreglement opgesteld en werd tevens besloten een concept rasstandaard op te stellen welke in 1980 voorlopig door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland werd goedgekeurd.
 

 

Registratie


Met “Markiesjesachtige hondjes” werd gefokt en op tentoonstellingen werden ze gekeurd zonder dat de Vereniging voor Liefhebbers van het Markiesje iets af wist van uiterlijk of afkomst. Om het terugfokprogramma overzichtelijker te maken, werd in 1981 met de Raad van beheer overeengekomen dat deze, de door een voor het Markiesje bevoegde keurmeester, goedgekeurde honden zou gaan tatoeëren.

In 1981 begon de vereniging met het registeren van alle voor het fokprogramma goedgekeurde Markiesjesachtige honden, welke “nieuwkomers” genoemd werden, en hun nesten. Tevens startte zij met de afgifte van registratiebewijzen voor alle binnen de vereniging gefokte pups.
 

 

Publiciteit

 

Publiciteit is in de jaren die volgenden voor het ras heel erg belangrijk geweest; publicaties in kranten en kynologische tijdschriften, alsmede de “live” presentaties op diverse hondenevenementen, vaak omlijst met in zeventiende en achttiende eeuwse kledij gestoken eigenaren, zorgden ervoor dat er aanmeldingen binnenkwamen van eigenaren van “look-a-like” Markiesjes. Aangezien het voor een ras als het Markiesje van groot belang was dat er met “nieuwkomers” gefokt werd om de bloedbasis zo breed mogelijk te maken, werden dergelijke hondjes, na een voorselectie, door een keurmeester beoordeeld met het uiteindelijke doel om aan het terugfokprogramma deel te nemen.

 
 

Markiesjesregister (MR)


Tien jaar na haar oprichting introduceerde de Vereniging voor Liefhebbers van het Markiesje, in 1989, het “Markiesjesregister”. In dit uit meerdere edities bestaande naslagwerk worden alle vanaf 1979 voor de fok ingezette honden vermeldt; compleet met keurverslagen, bijzonderheden en nestresultaten. Alle in het Markiesjesregister vermeldde gegevens waren afkomstig uit het zogenaamde “Fokboek”; een waardevol bezit van de vereniging, rijkelijk voorzien van foto’s en interessante gegevens.
 

 

Voorlopig Register (VR)

 

 

Het aantal Markiesjes nam gestaag toe met als resultaat dat de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland op 7 maart 1996 goedkeuring verleende voor het openstellen van het Voorlopig Register (VR). De eerste “aankeuring” vond plaats op 22 november 1997 te Steenderen. Van de 61 ter keuring aangedragen Markiesjes werden er 58 officieel in het VR opgenomen en gaf de Raad van Beheer een “VR-afstammingsbewijs” af.

 

 
 

Nationale erkenning


Bijna 20 jaar na de start van de wederopbouw van het ras het Markiesje was het dan eindelijk zo ver: op 3 december 1998 besloot de Raad van Beheer om het Markiesje per 1 mei 1999 officieel als Nederlands ras te erkennen.

Vanaf die datum konden Markiesjes, in het bezit van een VR-afstammingsbewijs, deelnemen aan clubmatches en officiële tentoonstellingen, met dien verstande dat het behalen van een kampioenschapprijs nog niet mogelijk was; daarvoor moet de hond in de Bijlage van het NHSB (Nederlandse Stamboekhouding) een G-1 afstamming hebben. Wel bestond de mogelijkheid voor Markiesjes om “Groepswinnaar” of zelfs “Best-in-Show” te worden.

Ondanks de erkenning als Nederlands ras blijft de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland het stamboek voor het Markiesje open houden, zodat de mogelijkheid bleef bestaan om “nieuwkomers”, na goedkeuring, op te nemen in het Markiesjesregister.
 


Geraadpleegde bronnen: "De Hondenwereld", "Onze Hond", "Onze Honden" en "Markiesjespost"
 

 


Text & Images Copyright © 2004-2009 M.Teunissen - all rights reserved
Page last modified: 15 December 2008
URL:
http://www.hetmarkiesje.nl/geschiedenis.htm